De navolgende recensie is eerder gepubliceerd in Astrologie in Onderzoek, jaargang 2, nr. 2, winter 1987-88.
Een recensie door Albert Bredenhoff van het standaardwerk door Willem Venerius
Willem Venerius: Verhoging en val van de planeten. Een eeuwenoud astrologisch raadsel.
Uitgegeven door Arcturus, Almelo, 1987, f24,50
171 pagina’s met illustraties en tabellen, gelijmd, ISBN 90.71586.02.2
In 1978 startte Willem Venerius een artikelenserie in het astrologische periodiek Spica over verhoging en val der planeten, nog niet wetend in welk een kluwen hij verstrikt zou raken. Na 10 jaar preluderen in binnen- en buitenlandse tijdschriften ligt het uiteindelijke resultaat nu voor ons.
Behalve dat een planeet zijn domicilie heeft in een bepaald teken, zoals zon in de Leeuw, kennen de antieke planeten ook nog hun verhogingsteken. Zo zou de zon in het teken Ram buitengewoon gunstig uitwerken. Dat brengt ons bij de eerste kontroverse: staan de planeten verhoogd in de tekens of in specifieke graden, bijvoorbeeld zon verhoogd in 19° Ram? Het is waarschijnlijk Ptolemaeus geweest die de oorspronkelijke theorie der verhogingsgraden heeft losgelaten en de positie der verhoging heeft uitgebreid tot het gehele teken. Tegenover elke verhogingsgraad ligt de graad van val, daar waar de planeet het zwakst geplaatst zou staan: bijvoorbeeld maan verhoogd in 3° Stier, in val op 3° Schorpioen.
Venerius begint zijn inventarisatie bij de Nederlandstalige publikaties. De theorieën en beweringen van de diverse auteurs ten gunste van het gebruik der verhogingsgraden in de horoskoopduiding weet hij op meestal eenvoudige wijze te ontkrachten. Niet veel beter vergaat het met de publikaties van de buitenlandse auteurs. Met name bij de bronnen uit de oudheid, zoals Ptolemaeus, Firmicus Maternus, Porphyrius en anderen, wordt de onderhavige problematiek in al haar omvang duidelijk. Als zelfs de auteurs uit de eerste eeuwen van onze jaartelling tegenstrijdige verklaringen geven over herkomst en betekenis der verhogingsgraden, is het dan überhaupt mogelijk dit vraagstuk nu nog op te lossen?
Vervolgens geeft Venerius een overzicht van de verklaringshypothesen der diverse auteurs: getalsymboliek, de gulden snede, de feestkalenderverklaring van Kniepf, de schuilplaatsentheorie en de mogelijke relatie met de vaste sterren. Soms lijken ze een licht te werpen op dit eeuwenoude astrologische raadsel, maar telkenmale weet Venerius kritische kanttekeningen te plaatsen. Hij doet dat op een wijze waaruit blijkt dat enig sarkasme hem niet vreemd is.
Na zoveel tegenstrijdige verklaringen en verschillende hypothesen betreffende de bakermat – India, Egypte, Arabië of Babylonië? – konkludeert Venerius dat Knappich in zijn artikelen het probleem het dichtst benaderd heeft. De graden van verhoging en val zouden in Babylonië ontstaan zijn als de plaatsen van de geheime openbaring der planeten. Maar ook lieten de Babyloniërs de planeten vertegenwoordigen door bepaalde vaste sterren. Zo er een oplossing in het verschiet ligt, dan ziet Venerius hier mogelijkheden tot verder onderzoek. En zolang hierover met zekerheid nog niets te zeggen valt, keurt de auteur het gebruik der verhogingsgraden in de horoskoop ten stelligste af.
Venerius heeft een boek geschreven in de stijl en de geest van het alom geprezen Recent Advances van Dean en Mather. Hij haalt de bezem door de Augiasstal van verhoging en val. Niemand ontkomt aan zijn kritiek. Venerius’ boek houdt een impliciete waarschuwing in voor alle toekomstige auteurs die klakkeloos en kritiekloos hun astrologische inzichten aan het papier wensen toe te vertrouwen.
Nu enige kanttekeningen. Deze uitgave bevat te veel drukfouten. Op pagina 15 onderaan is een citaat uit het boek van De Vore komleet de mist in gegaan. Voor de geïnteresseerden: dit citaat staat in een noot op pagina 116 van zijn Encyclopedia of Astrology. De inhoudsopgave had vooraf dienen te gaan aan het voorwoord, terwijl achter de hoofdstukkenindeling een paginanummering het raadplegen van dit boek had vergemakkelijkt. En natuurlijk had een namenindex in dit werk niet mogen ontbreken.
Het ongetwijfeld belangwekkende gedeelte over de theorie van Wilhelm Knappich heeft als nadeel dat deze vrijwel integraal is overgenomen. Dit veroorzaakt verwarring, daar er niet te begrijpen verwijzingen in staan, alsmede onnodige overlappingen. Venerius had er beter aan gedaan om het werk van Knappich te parafraseren. En zelfs voor de meer ingevoerde lezer blijft het moeilijk om onbekende namen als Dupuis, Geiger en Kleucker thuis te brengen, laat staan om een oordeel te geven over het belang en de draagwijdte van hun werk. Misschien kan een verklarende namenlijst hier uitkomst brengen.
Deze opmerkingen kunnen echter aan het buitengewone onderzoekswerk van Venerius nauwelijks afbreuk doen. Daarvoor bevat dit boek op wetenschappelijk en geschiedkundig terrein te veel kwaliteiten.
A. Bredenhoff
