Jan Kampherbeek - Planeten, tekens en huizen in een symbolische astrologie
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Spica, jaargang 6 nr. 1, april 1982.
Je mehr von den exakten Wissenschaften die objektive Tatsächlichkeit kosmisch-irdischer Beziehungen festgestellt und erklärt wird, umso mehr wird die Einsicht wachsen, daß alles naturkausale Geschehen sein Abbild im symbolischen Erleben hat und daß beide Betrachtungsweisen nur 2 Aspekte einer und derselben Wirklichkeit sind.
Wilhelm Knappich [1]
Het causaal-mechanische wereldbeeld wankelt op haar grondvesten. Tegen het einde van de negentiende eeuw leek het er nog op dat de wetenschap slechts enkele raadsels hoefde op te lossen; en we zouden alles weten. De werkelijkheid speelde zich af in categorieën van materie, ruimte, tijd en oorzakelijkheid. Op basis van deze begrippen en koele logica dacht men een alomvattend inzicht in het zijnde te krijgen.
Maar sinds Heisenberg en Einstein blijkt materie voornamelijk uit niets te bestaan. De ruimte is krom en tijd is relatief. Jung, von Scholz en anderen ondermijnden de zekerheid van het causalisme. De waarheid is niet van zins zich te conformeren aan onze denkcategorieën. Onze opvattingen mogen als hypotheses hun beperkte bruikbaarheid hebben; algemeen geldig zijn ze niet. Deze tijd vormt een uitdaging voor astrologen. Na het verscheiden van Morin de Villefranche, Johannes Kepler, William Lilly en Placidus de Titus in de zeventiende eeuw lag de astrologie lange tijd nagenoeg stil. De belangrijkste oorzaak lijkt het nu weer tanende materialistische wereldbeeld. Het is niet nodig dat een serieuze astrologie zich aanpast aan causaliteitsprincipes. We hoeven geen onbekende stralingen aan te nemen om astrologie te verdedigen. Astrologie vooronderstelt een anderssoortige kijk op de werkelijkheid dan de materialistische. Wellicht tot haar verbazing wordt ze daarin gesteund door de ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied. De vooral deze eeuw opkomende symbolische astrologie biedt goede perspectieven. De planeten veroorzaken niets maar symboliseren slechts. De befaamde spreuk de sterren neigen wel maar ze dwingen niet moet opnieuw geformuleerd worden. De “sterren” neigen zelfs niet.
Uit een analyse van planeten, tekens en huizen zal blijken dat een causale benadering van de astrologie grote problemen oplevert. Tegenover die causale benadering wil ik hier de invalshoek van de symbolische astrologie stellen. Een astrologie die zich niet richt op een rechtstreekse beïnvloeding van mensen door planeten, tekens en huizen maar slechts een parallellisme constateert waarbij symbolen een grote rol spelen. Zowel de historie van de astrologie als het karakter van de duidingselementen pleiten voor een symbolische opvatting van de astrologie.
Planeten
Al lang voor de geboortehoroscopie tot ontwikkeling kwam werden planeten gebruikt. Uit kleitabletten van Babylonische astrologen blijkt dat aan planetaire posities uitspraken werden gekoppeld die we momenteel onder de mundane astrologie zouden rangschikken. Oorlog en vrede, handel en landbouwkundige voorspellingen bepaalden het werkgebied van de toenmalige priester-astroloog. De planeten kregen namen uit de Babylonische godenwereld. Onzeker is waarom bepaalde goden aan de desbetreffende planeten werden gekoppeld.
Als we er van uitgaan dat de gebeurtenissen aan de hemel op herkenbare wijze parallel lopen met de gebeurtenissen op aarde kunnen we ons afvragen hoe de astrologen uit de oudheid die gebeurtenissen aan de hemel interpreteerden. Is er sprake van een overlevering en zo ja, hoe kwam die tot stand? Kwamen de betekenissen van ingewijde priesters of zijn ze daarentegen juist empirisch bepaald?

Als we een mogelijke overlevering buiten beschouwing laten (we zouden het probleem alleen maar naar een vroeger tijdstip verschuiven) lijken de empirische en de esoterische mogelijkheid de enig bruikbare. Zoals bekend hebben beide nun aanhangers maar is niemand er in geslaagd doorslaggevende argumenten aan te voeren.
Er is een derde mogelijkheid. Hoewel ook hiervoor geen bewijzen naar voren kunnen worden gebracht is ze redelijk overtuigend. Kernpunt van deze derde benadering: de verschijningsvorm van de planeten, vanuit de aarde of liever, vanuit de waarnemer gezien, is de sleutel tot hun betekenis. Het lijkt waarschijnlijk dat in de beginperiode van de astrologie de gedragingen van de planeten, welke vanuit homocentrisch standpunt werden waargenomen, werden gebruikt om de betekenis van de planeten te bepalen. Een tegenstander van de astrologie, een van de weinigen die haar ook bestudeerd heeft, is Robert Henseling [2] die in zijn boek Omstreden wereldbeeld [3] van bovengenoemde hypothese uitgaat.
Zijn bezwaar tegen de astrologie: de betekenis van de planeten is nog steeds conform de homocentrische verschijningsvorm. En deze interpretatie is geen grondslag voor een verband tussen planeten en mensen.

Vanuit causaal standpunt gezien heeft Henseling gelijk. Heeft hij ook gelijk als hij meent dat deze mogelijke grondslagen van planeetbetekenissen nog steeds gehanteerd worden? De historie van de astrologie bevestigt dat. In de loop der tijden zijn geen belangrijke betekenisveranderingen gesignaleerd. Modificaties zijn natuurlijk toegepast maar wezenlijke wijzigingen zijn nooit doorgevoerd. Herkennen wij deze “primitieve” betekenissen nog? Voor Zon en Maan lijkt dat al heel duidelijk op te gaan. De Zon, een hemelverschijning die dermate domineert, dat alle planeten overdag worden verdrongen, die letterlijk leven op aarde brengt, werd als levensbrengende kracht gezien. Juist ten tijde van de Chaldeeuwse astrologie verving de zonnecultus de maancultus. Volgens Franz Cumont liep de opkomst van de zonnecultus parallel met de groei van de Chaldeeuwse wetenschap [4]. Later, ten tijde van het ontstaan van de geboortehoroscopie, werd de Zon gezien als persoonlijke levenskracht, vitaliteit.
De Maan is vanaf de aarde gezien het snelst veranderende element aan de hemel. De wisseling van de schijngestalten en de snelle omloop worden als bekend gekoppeld aan betekenissen als veranderlijkheid, gevoel en – in patriarchale culturen – vrouwelijkheid. Ook de betekenissen van de planeten werden waarschijnlijk op deze manier afgeleid. We herkennen de veranderlijke beweging van Mercurius, de fraaie verschijning van Venus in de ochtend- of avondschemering. De rode kleur van Mars en de wedloop die deze planeet met de Zon lijkt te houden, de “koninklijke” helderheid van Jupiter en de langzame beweging van Saturnus zijn herkenbaar in hun astrologische betekenis.
Cumont [5] bevestigt dat astronomische factoren hun weerslag vonden in astrologische betekenissen.
In hoeverre is er sprake van hinein-interpretatie als we planeetbetekenissen op deze manier afleiden? Dit zal zelfs in ontoelaatbare mate het geval zijn als we een begrip als ‘aanpassings-vermogen’, door velen toegeschreven aan Jupiter, uit de verschijningsvorm van die planeet af willen leiden. De planeetbetekenissen zijn te gedifferentiëerd voor een dergelijke intellectuele krachttoer. De homocentrische verschijningsvorm mag niet als een andere mogelijkheden uitsluitende oorzaak van de planeetbetekenissen worden gezien. Maar we kunnen wel concluderen dat er althans noemenswaardige overeenkomsten zijn tussen de homocentrische verschijningsvorm en de toegekende betekenis in de horoscoopduiding. Het globale beeld dat we krijgen van de planeten zal moeten worden aangevuld. De manier waarop we de planeten waarnemen is niet meer dan een eerste aanzet. Maar daarmee is wel een structuur geschapen die kan dienen voor empirisch onderzoek.
Tot op dit punt zitten we nog redelijk op één lijn met historici en critici die zich over de astrologie hebben gebogen. Zoals gezegd heeft Henseling op basis van deze ontstaanshypothese geconcludeerd dat astrologie van een verkeerd wereldbeeld uitgaat. Immers, de subjectieve homocentrische waarneming kan geen aanwijzing geven over mogelijke ‘invloeden’ van planeten.
Is dat zo? Uitgaande van een materialistisch wereldbeeld heeft Henseling gelijk. Causale verklaringshypothesen stranden hier. Immers, zouden we een straling of iets van dien aard veronderstellen, die als verklaring moet dienen voor de werkzaamheid van de astrologie, dan lijkt het wel zeer onwaarschijnlijk dat de aard van die straling wordt bepaald door de manier waarop we de planeet waarnemen.
Moeten we dan aannemen dat het legitiem is onze subjectieve waarneming als grondslag voor de planeetbetekenissen te hanteren? Mogen we uitgaan van een model waarin de symbolische waarde die aan een planeet wordt toegekend meer inhoud heeft dan een louter illustratieve? Ik geloof dat we die conclusie inderdaad moeten trekken. Temeer omdat astronomische gegevens, waarvan de Babyloniërs niet op de hoogte waren, het hier geschetste beeld lijken aan te vullen. Mercurius draait niet om zijn as maar keert steeds dezelfde zijde naar de Zon. De planeet is dus in twee helften – zeer koud en bijzonder heet – verdeeld, wat goed overeenkomt met het dualistische karakter van Mercurius. Jupiter is de grootste planeet van ons zonnestelsel, Saturnus heeft ringen, Uranus staat op z’n kant. De gegeven voorbeelden zijn voldoende duidelijk om de hypothese te rechtvaardigen dat in vroegere – Chaldeeuwse – culturen de verschijningsvorm van de planeet een sleutel was tot de astrologische betekenis, en dat deze invalshoek bruikbaar is. De gegevens die men op deze manier krijgt zijn weliswaar zeer globaal. Een verfijning is nodig. Het was empirisch materiaal dat het mogelijk maakte de planeetbetekenissen verder uit te diepen. Zoals gezegd bemoeilijkt dit alles een causalistische verklaring van de astrologie. Als we al van stralingen uitgaan zijn Zon, Maan en planeten de meest voor de hand liggende objecten in het zonnestelsel. En het is wel erg onaannemelijk dat tussen de aard van de straling en de subjectieve verschijningsvorm van de planeet een causaal verband bestaat. Maar wat is het alternatief? Het is erg gemakkelijk te stellen dat het dus om synchronistische verschijnselen gaat maar daarmee plakken we slechts een etiket op het verschijnsel. Kroncke [6] verklaart astrologie met finaliteit dat hij echter hopeloos verwart met synchroniciteit. Hij stelt zelfs dat de begrippen synoniem zijn. Finaliteit vooronderstelt een doelgerichtheid van het zijnde wat tevens een kracht vereist die het doel stelt. Zo’n finalistische kijk lijkt een redelijke verklaringshypothese voor sommige astrologische verschijnselen maar geeft geen inzicht in de aard van de specifieke verschijnselen.
Als we de astrologie vanuit de symbolische hoek benaderen beginnen we uiteraard weer met het opplakken van een etiket. Maar er is een groot verschil met synchroniciteit en finaliteit. Waar deze laatste begrippen algemeen zijn en hooguit licht kunnen werpen op de astrologische verschijnselen op zich is het vanuit symbolisch oogpunt mogelijk de verschijnselen te verbijzonderen en wel naar gelang de symbolische betekenis die of ooit is toegekend aan de planeten of de symbolische betekenis die zich als het ware ‘vanzelf’ uit de verschijningsvorm van de planeet laat aflezen. Ring [7] schrijft over symbolische astrologie: Hat auch Einstein als Vollender und Überwinder der klassischen Mechanik das Prinzip allgemeinen Sichbedingens aller Dinge zu ende geführt, so bietet er damit der Astrologie keine Handhabe, da diese von wertmässigen Beziehungen der Proportionen sprioht. Vom mengenmässigen Blickpunkt aus wäre Astrologie keine Wissenschaft. Wir dürfen jedoch eine Frage aufwerfen, die Kant hinsichtlich der Metaphysik stellte, ob nämlich und wie Astrologie als Wissenschaft moglich sei. Für eine qualitatieve Blickweise lässt sich diese Möglichkeit bejahen. Es geht um eine systematisierte Wertordnung, deren Komponenten sich in Symbolen ausdrücken. Diese Ordnung knüpft an Naturgegebenen an, ihre Symbole sind nicht ohne Zusammenhang mit empirischen Tatsachen anwendbar.
Als ik schrijf over symbolische astrologie bedoel ik dat steeds in deze zin.
Uranus, Neptunus en Pluto
Met deze opvatting over symbolische astrologie verklaren wij eigenlijk vrij weinig. Maar wel wordt aangegeven hoe een a-causaal denkmodel er uit zou kunnen zien, als hypothese is het bruikbaar. De historische ontstaansgronden voor de antieke planeten kunnen voldoende verklaard worden. Geldt dat ook voor de nieuwe planeten? Uranus, Neptunus en Pluto worden algemeen gebruikt in de astrologische praktijk. De betekenissen van de planeten lijken erg veel op die van de tekens die ze beheersen. Over aard en oorsprong van de tekens volgt hierna het een en ander. Wellicht dat dat meer licht op de zaak werpt. Voorlopig kunnen we constateren dat Uranus haast nooit (uitsluitend onder extreem gunstige omstan-digheden) met het blote oog zichtbaar is terwijl Neptunus en Pluto altijd onzichtbaar zijn. Feitelijk bestaat er dus geen homocentrische verschijningsvorm van deze planeten. Maar er zijn wel correlaties tussen de ‘objectieve’ heliocentrische beschrijving van de planeten en hun astrologische werkzaamheid.
Uranus die op z’n kant staat, een ring heeft die zich als een ‘poort’ naar de kosmos richt. Pluto die als het ware ‘inbreekt’ in de baan van Neptunus, die zich niet stoort aan de normale inclinatie van de andere planeten maar een geheel eigen baan trekt om de Zon. Het klinkt redelijk overtuigend maar is toch onvoldoende. Voor Neptunus is het niet zo eenvoudig een dergelijk verhaal op te hangen. En het zal duidelijk zijn dat de betekenissen van Uranus en Pluto wel enige overeenkomsten met de genoemde astronomische verschijnselen hebben maar dat de oogst toch vrij magertjes is. Blijft de correlatie met de dierenriem; het afleiden van de planeetbetekenissen van de aard van het teken waarover de planeet gaat heersen (in zodiacale volgorde). Dat de beheersing van Pluto daarbij problemen geeft wordt bevestigd door de aard van Ram en Schorpioen; tekens die in de antieke astrologie beide aan Mars werden toegekend. Nadere specificatie lijkt goed mogelijk met een beschouwing van de onderlinge verhoudingen binnen het zonnestelsel (octaven, spiegelwerking). Uranus als octaaf van Mercurius, Neptunus van Venus en Pluto van Mars; het vult het beeld aardig aan.

Maar al deze invalshoeken zijn onverenigbaar met een causale opvatting van de astrologie. Ze wijzen daarentegen in de richting van een symbolische astrologie. Dat de zo gevonden betekenissen toch bruikbaar zijn blijkt uit de grote overeenstemming die heerst aangaande de betekenissen van Uranus, Neptunus en Pluto. Alleen de beheersing door Pluto van Ram of Schorpioen vormt hierop een uitzondering.
Nieuwe elementen
Er zijn meer nieuwe elementen toegevoegd aan het werkmateriaal van de astroloog. Hypothetische planeten en asteroïden zijn daarvan de belangrijkste. In principe kunnen hypothetische planeten een zinvolle aanvulling vormen op de astrologie. Laten we wel zijn, astrologen die vroeger over de posities van Uranus, Neptunus en Pluto konden beschikken zouden daaruit relevante informatie hebben kunnen destilleren.

Het grote probleem is uiteraard positie-bepaling en betekenis-omschrijving van deze hypothetische planeten. Is het bepalen van de betekenis tot op zekere hoogte mogelijk op grond van analogie-structuren binnen het zonnestelsel [8], met de plaatsbepaling ligt het veel moeilijker. Er zijn twee invalshoeken. Plaatsbepaling op grond van empirisch onderzoek van grote aantallen horoscopen, en plaatsbepaling op paranormale wijze. In de praktijk blijkt dat gebruikers van hypothetische planeten zich niet gedetailleerd uitlaten over de gronden waarop uiteindelijk is besloten de posities toe te kennen. Men beroept zich slechts op de gunstige resultaten in het praktische werk. Mede omdat geen enkele overeenstemming bestaat tussen de verschillende groepen gebruikers van hypothetische planeten meen ik dat er vooralsnog geen gronden zijn hypothetische planeten aan het werkmateriaal van de astroloog toe te voegen.
Met name in Amerika worden ook posities van asteroïden in de horoscoop toegepast. Dat is vragen om moeilijkheden. Er zijn al duizenden asteroïden gecatalogiseerd die bijna allen een baan beschrijven tussen Mars en Jupiter. Tot nu toe worden de grootste asteroiden gebruikt maar grootte is een criterium dat verder in de astrologie niet gebruikt wordt. Jupiter is een planeet met een volume van ruim 8700 maal het volume van Mars, de diameter van Jupiter is 20,7 x de diameter van Mars, toch wordt in de duiding geen verschil in intensiteit gemaakt. Zelfs al zou zo’n verschil legitiem zijn, dan blijft het ondoenlijk een aanvaardbare scheidslijn te maken. Er is geen duidelijk verschil tussen grote en kleine asteroïden. Als we met asteroïden willen werken zullen we consequent moeten zijn en elke graad op ons horoscoopformulier met een stukje rots moeten bezetten. Een uitzondering kan worden gemaakt voor Cheiron die ongeveer het formaat heeft van een asteroide maar wel degelijk een eigen baan beschrijft.
De dierenriem
De dierenriem wordt vaak gezien als de basis van de astrologische begrippen. Een veronderstelling die niet in overeenstemming is met de historische ontwikkeling van de astrologie. Aanvankelijk werkten astrologen alleen met planeten. De positie van die planeten werd direct of indirect gekoppeld aan vaste sterren, d.w.z. dat een planeet werd geïnterpreteerd in samenstand met een vaste ster of dat men uitging van de posities van planeten tijdens een heliactische opkomst van bijvoorbeeld Sirius. De tekens werden vooral gebruikt om een plaatsbepaling mogelijk te maken. Er was sprake van een constellationele zodiac. De tekens zijn conform de sterrenbeelden en zijn dus ongelijk van grootte. De constellationele zodiac moeten we vooral niet verwarren met de siderische zodiac. De siderische astrologie gaat er van uit dat een punt moet worden bepaald waar de zodiac begint, het beginpunt van het sterrenbeeld Ram, waarna twaalf delen van dertig graden worden afgepast. Uiteraard komen de siderische tekens slechts zeer ten dele overeen met de werkelijke sterrebeelden. De constellationele zodiac werd pas in het Griekse tijdperk veranderd in een zodiac met gelijke tekens. Volgens Gundel [9] was het waarschijnlijk Eudoxos van Knidos (408-355 v.C.) die in verband moet worden gebracht met de mathematische verdeling van de dierenriem in twaalf delen van elk dertig graden. In die tijd vielen siderische en tropische zodiac ongeveer samen. Er zijn argumenten dat zelfs ten tijde van de constellationele zodiac elementen van een tropische astrologie werden gebruikt. Richmond [10] schrijft: It is stated that the most ancient Zodiac commenced the spring equinox with the Bull, which would be a suitable sign between the years 4.300 BC and 2.250 BC.

De zodiac is een strook langs de hemel waarlangs de Zon, Maan en planeten zich bewegen. Deze strook is gesitueerd aan weerszijden van de ecliptica, de schijnbare baan van de Zon, letterlijk de lijn waarop de eclipsen plaatsvinden. Het blijkt niet eenvoudig de betekenissen van de astrologische tekens te verklaren. Men kan de dierenriem zien als een levenspad, een ontwikkelingsproces. Een gegeven dat duidelijk tot uiting komt als men de opeenvolging van de tekens van Ram tot Vissen bestudeert. Men kan de tekens ook verklaren aan de hand van de betekenissen van de desbetreffende heersers. De gegevens kan men completeren met de theorie van elementen en kruizen welke numerologisch van oorsprong zijn. Maar waar beginnen we? Duidelijke punten in de ecliptica zijn de equinoctia en de solstitia. Algemeen wordt in de astrologie de lente-equinox gebruikt als het begin van de Zodiac. Allen [11] schrijft dat vanaf 1730 v.C. Aries werd gezien als o.m. de Princeps Zodiaci.

Als de Zon op 0° Ram staat zijn dag en nacht even lang en zullen de dagen steeds langer en de nachten steeds korter worden, de ‘levenskracht’ neemt toe. Een situatie die natuurlijk alleen op het noordelijk halfrond van toepassing is. M.i. is dit een onvoldoende verklaring voor het punt 0° Ram als begin van de zodiac. De uiterste consequentie zou zijn dat op het zuidelijk halfrond de betekenissen van de dierenriemtekens gewisseld worden met hun oppositietekens, zoals Campanella [12] en von Xylander [2] dat voorstelden. In de tropen, waar de dagen en nachten ongeveer even lang zijn, zou van een dierenriem geen sprake kunnen zijn. En de astrologie zou des te manifester moeten zijn naar gelang zij in noordelijker streken wordt toegepast, waar het verschil tussen dag en nacht immers steeds merkbaarder wordt. Overigens is de veelal genoemde correlatie tussen dierenriemtekens en jaargetijden meestal minder duidelijk dan goedgelovige auteurs ons willen doen aannemen. Lammetjes die in de maand van de Ram de wei bevolken zijn natuurlijk bijzonder charmant en de vallende bladeren in de Schorpioenmaand kunnen met een beetje goede wil best herkend worden in het Schorpioenprincipe. Maar deze zaken zijn wel erg door het klimaat bepaald, ze zijn nauwelijks overtuigend en komen op het zuidelijk halfrond zeker in de desbetreffende maanden niet voor. De jaargetijden bieden onvoldoende verklaringsgrond voor de dierenriemtekens.
Mogelijke beginpunten zijn 0 Ram, 0 Kreeft, 0 Weegschaal en 0 Steenbok (equinoctia en solstitia) maar uit die punten is het niet mogelijk op grond van de jaargetijden een beginpunt te kiezen. De betekenis van de andere tekens is eveneens niet of onvoldoende uit de seizoeninvloeden te verklaren. In het begintijdperk van de astrologie werd Ram vrij algemeen als begin van de zodiac gebruikt maar we tasten in het duister omtrent de hiervoor gebruikte motivatie. Eén aspect van de zodiac, de cyclische opeenvolging van de tekens, is afhankelijk van de situering van de Ram als eerste teken van de dierenriem. Een ander belangrijk punt is de correlatie met de planeten. Zoals bekend beheersen de antieke planeten elk twee tekens, terwijl Zon en Maan elk een teken beheersen. De beheersing wordt steeds gekoppeld aan de Thema Mundi. Volgens Maternus [13] is de Thema Mundi overgeleverd door Nechepso en Petosiris die hun kennis zouden ontlenen aan Aesculapius en Hanubius. Hier is echter sprake van mythologisering. De opeenvolging in de Thema Mundi is als volgt: vanaf Zon en Maan worden de planeten volgens snelheid en dus ook volgens afstand van de Zon afgepast. We weten niet met zekerheid waarom de beheersing van Kreeft aan Maan en Leeuw aan Zon wordt toegekend. Een mogelijke verklaring vinden we bij Koch en Knappich [14]. Zij schrijven dat het Egyptische jaar begint op het moment dat Sirius ‘s morgens vroeg opkomt wat overeenkomt met het zomersolstitium in Kreeft. De oude hermetici lieten derhalve, aldus Koch en Knappich, de dierenriem met Kreeft beginnen omdat deze de god Thot (Hermes, Mercurius) als heerser had en omdat Hermes de uitvinder van de astrologie was.
Dit verklaart deels het begin van de Thema Mundi met Maan en Zon resp. in Kreeft en Leeuw. Meer gegevens over de aard en oorsprong van de Thema Mundi lijken verloren te zijn gegaan maar, wie weet, komt ooit aanvullend materiaal boven water [15].
Hoewel het niet mogelijk blijkt een volledig beeld te geven van het ontstaan van de betekenissen van de dierenriemtekens is het wel zo dat er een belangrijke correlatie is met de betekenissen van de planeten. De volgorde van de planeten vanaf de Zon is daarbij bepalend. Bovendien is een cyclische opeenvolging herkenbaar. De zodiac is een goed voorbeeld van een symbolische benadering. We zien hier een opdeling in een soort fasen, stations, van de schijnbare baan van de Zon. Causale principes verliezen hier alle geldigheid. Het is wel bijzonder onaannemelijk dat van een stukje zonnebaan een beinvloedende kracht uitgaat. Het is causaal gezien eveneens onwaarschijnlijk dat die betekenissen af te leiden zijn uit de volgorde van de planeten. De zodiac is een symbolische verdeling van de hemel. En het merkwaardige is dat die symbolische verdeling opvallend goed lijkt te passen bij de betekenissen die later aan de planeten Uranus, Neptunus en Pluto werden toegekend. Nu kan men natuurlijk stellen dat die betekenissen afgeleid zijn van de desbetreffende tekens. Maar de betekenissen zijn kennelijk dermate evident dat ze in de astrologie nauwelijks ter discussie staan.
Zodiac of ecliptica
Zoals hiervoor gezegd is de zodiac een band die aan beide zijden van de ecliptica loopt. De planeten staan steeds in deze “band” die zo breed is gehouden dat de grootste planeetbreedtes toch in de zodiac vallen. De enige uitzondering hierop is Pluto. In de klassieke astrologie is deze opvatting manifest. Op oude afbeeldingen ziet men steeds de zodiac als een zone met duidelijke breedte, ook in de praktijk wordt de zodiac volgens deze opvatting gebruikt. 
In Nederland werd door Leo Knegt een nieuwe opvatting van de zodiac geïntroduceerd. Knegt gaat er van uit dat niet de zodiacale maar de eclipticale positie van de planeten in de astrologie moet worden gebruikt. Volgens de gebruikelijke berekeningen vallen deze posities samen. Knegt stelt voor een andere projectiemethode te gebruiken. Analoog aan het door hem gepresenteerde APC-systeem wil hij positiecirkels gebruiken die door noord- en zuidpunt lopen in plaats van positiecirkels die door de eclipticapolen gaan. In de tekening zien we dat planeet A die op 13 Steenbok staat een bepaalde breedte heeft (de boog A-B) . Als we een cirkel door de eclipticapolen trekken die ook door A gaat zal deze de ecliptica precies in B snijden: eveneens 13 Steenbok. Trekken we zo’n cirkel echter door noord- en zuidpunt (op de horizon) dan krijgen we C als geprojecteerd punt. Vaak wordt dit punt aangeduid als ware plaats.
Het is begrijpelijk dat men een vondst waar men achter staat graag als waar ziet, maar de benaming is fout. De ware plaats van A is het punt A zelf. De punten B en C zijn beide projecties van A. B is de projectie met een rechte hoek op de ecliptica, C is schuin geprojecteerd. Een juistere benaming voor positie C is schuine lengte waarbij B rechte lengte zou kunnen worden genoemd.
Knegt heeft hiermee een belangwekkend thema aangesneden. Het komt n.l. voor dat planeten die zodiacaal in een graad staan die boven de horizon valt, in werkelijkheid toch onder de horizon staan. Valt zo’n planeet nu in XII of in de ascendant? De schuine lengte lijkt dit probleem op te lossen. Door gebruik van de genoemde positiecirkels zal deze ogenschijnlijke discrepantie niet meer voorkomen. We moeten ons echter afvragen welk punt belangrijk is. De planeet zelf of de zodiacale positie die ze inneemt? Ontlenen planeten nun werking aan hun straling o.i.d.? Of ontlenen ze hun betekenis aan hun situering in een deel van de zodiac?
De zodiac wordt ten onrechte gezien als oorsprong van de astrologie maar in de horoscopie speelt ze wel degelijk een doorslaggevende rol want de geboorteastrologie kon pas tot ontwikkeling komen nadat de tropische zodiac vorm had gekregen. De zodiac is geen concrete cirkel waar we onze planeten op projecteren, de zodiac is een puur theoretische cirkel die de schijnbare baan van de Zon voorstelt. Doorslaggevend is de afstand tot het punt Ram, de “fase” van de door een planeet bezette graad. De zodiac als band is op deze manier goed verdedigbaar tegen aanhangers van een schuine projectie op de ecliptica. Knegt heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de astrologie. Maar de schuine lengte van de planeten is alleen van theoretisch belang. Een opvatting waar Knegt het later zelf ook mee eens was.
Huizen
De overeenkomst tussen huizen en dierenriemtekens is evident. Geeft de zodiac de jaarlijkse draaiing van de aarde om de Zon weer, de huizen symboliseren de draaiing van de aarde om haar eigen as. De overeenkomst is een duidelijk voorbeeld van het symbolische karakter van de astrologie. De zodiac geeft de betekenissen aan de huizen. In een aantal vorige Spica’s ben ik vrij uitvoerig op het huizenprobleem ingegaan [16]. Het gaat hier om een bijzonder ingewikkelde materie. Het aantal systemen is legio en er zijn zelfs meerdere systemen die een astronomisch correcte opbouw hebben. De belangrijkste van die systemen zijn Campanus, Regiomontanus en Placidus. Het gelijke-huizen-systeem vanaf de ascendant bedient zich niet van een astronomische projectie maar lijkt mij ook verdedigbaar en wel als een tweede zodiac vanaf de ascendant. Andere systemen zullen bij verder onderzoek vooralsnog buiten beschouwing kunnen blijven. Zoals eerder in Spica is beschreven deugt het GOH-systeem van Walter Koch niet op astronomische gronden, evenmin als het systeem van Alcabitius. Het APC-systeem is astronomisch correct maar roept toch een aantal belangrijke vragen op, zowel qua ontstaansgrond als argumentatie (het gebruik van de dag- en nachtboog van de ascendant, ook voor de bepaling van de andere cuspen). Campanus bedient zich van een relatief statisch model van de kosmos. Regiomontanus gebruikt als basis van zijn systeem de equator en maakt daarmee de as-draaiing van de aarde tot de grondslag van de huizen. Placidus beziet elke cusp vanuit zijn eigen dag- of nachtboog. Daarmee laat Placidus bewust het causale model geheel los. Op kritiek van de jonge filosoof Pico della Mirandola, die stelde dat het ondenkbaar was dat aan puur geometrisch bepaalde stukken hemel invloeden werden toegekend [17] reageerde hij door een kwalitatieve benadering als grondslag van de huizen te gebruiken. Proportionele beweging is de kern van zijn systeem. Placidus trok de consequentie die noodzakelijkerwijs op de terechte kritiek van Pico della Mirandola volgde. Feitelijk ging hij uit van een symbolische astrologie.
Ik denk vrij positief over het systeem van Placidus. Maar Regiomontanus baseert zich op een koppeling tussen equator en ecliptica, de projecties van de belangrijkste bewegingen van de aarde en dat lijkt toch ook erg zinvol. En ook het systeem van Campanus, dat een puur homocentrische benadering – de hemel als een soort in twaalf delen op-gesplitste kaasstolp – te zien geeft, zal m.i. in de praktijk voldoen.
Kunnen wij besluiten hoe de hier genoemde systemen moeten worden gebruikt? Zijn er specifieke toepassingsgebieden? Passen ze bij een bepaalde kijk op het leven of bij een bepaalde manier van duiding? Deze vragen zijn zelfs bij benadering niet te beantwoorden. We zouden misschien conclusies kunnen trekken uit de astronomische opbouw van de systemen maar we zijn vooralsnog niet in staat dit soort conclusies om te bouwen tot een praktisch hanteerbaar gegeven. Er worden, kennelijk met succes, meerdere systemen gebruikt. Er zijn meerdere invalshoeken. En evenals bij de dierenriemtekens het geval is, faalt elke causale interpretatie. Welk systeem men ook hanteert, steeds is er sprake van twaalf zones aan de hemel die gebruikt worden in de duiding maar feitelijk niet bestaan. Ook de huizen zijn een wel zeer opvallend voorbeeld van de a-causale geaardheid van de astrologie. Deze opvatting stemt overeen met hedendaagse zienswijzen over de huizen. Huizen veroorzaken geen concrete omstandigheden maar symboliseren psychologische gebieden. Eigenlijk geven ze onze projecties weer [18]. Deze benadering van huizen betekent dat het ongeoorloofd is aan posities in huizen concrete uitspraken te verbinden. De betekenis van huizen is aanmerkelijk subtieler dan de toepassing door praktiserende astrologen vaak doet veronderstellen. Uitgaande van het symbolische karakter van de astrologie is een grotere subtiliteit niet alleen wenselijk als het om huizen gaat. Ook op grond van o.a. planeten en tekens worden vaak veel te concrete eigenschappen toegekend. Vanuit een causale optiek, waarbij mensen in het extreemste geval een soort op planeten-stralen reagerende robots zijn, kan zo’n duiding verklaarbaar zijn. Een symbolische astrologie dwingt ons echter tot een zeer voorzichtige benadering.
Conclusie
We hebben gezien dat de subjectieve verschijningsvorm van de planeten de sleutel is geweest tot de bepaling van nun betekenis. En de zo gevonden betekenissen worden nog steeds gehanteerd. De dierenriemtekens ontlenen hun betekenis aan de planeten (Thema-Mundi) en aan hun opeenvolging, gerekend vanaf 0°Ram. Dat punt is een van de snijlijnen tussen ecliptica en equator, beide cirkels die in werkelijkheid niet bestaan maar een projectie vormen van resp. de draaiing van de aarde om de Zon en van de draaiing van de aarde om haar eigen as.
De huizen zijn afgeleid van de tekens. Ze worden geteld vanaf het snijpunt tussen ecliptica en horizon (de begrenzing van ons blikveld).
Planeten, tekens en huizen worden in de astrologie toegepast, in veel gevallen met succes. Mijn conclusie is dat de symbolische achtergrond van de astrologie een bruikbaar model vormt. Dit in tegenstelling tot een causale astrologie die niet in overeenstemming is te brengen met de historische ontwikkeling van de astrologie en die bovendien onverenigbaar blijkt met de aard van tekens en huizen.
Een symbolische astrologie is veel minder dwingend dan een zich causaal opstellende astrologie. Voor de horoscoopduiding heeft dit vergaande consequenties. Het is ongeoorloofd te stellen dat Jupiter in X maatschappelijk succes geeft. Deze positie werpt enig licht op onze kijk op de buitenwereld maar is beslist geen garantie voor een succesvolle carriere. Saturnus in V geeft geen kinderloosheid of gebrek aan creativiteit aan, integendeel. De statistieken van Gauquelin [19] geven zelfs aan dat bij mensen die uitblinken in een creatief beroep Saturnus iets vaker dan gemiddeld in het vijfde huis staat!
Het moderne wetenschappelijk onderzoek van de astrologie bevestigt dat het onjuist is te werken met concrete uitspraken op basis van geïsoleerde standen. Het blijkt haast onmogelijk uitspraken die verifi¨erbaar zouden moeten zijn ook werkelijk statistisch aan te tonen. Als de betekenissen werkelijk zo duidelijk en eenduidig af te lezen zouden zijn, is dat niet verklaarbaar. Een horoscoop is een uitstekend hulpmiddel om mensen te begrijpen, licht te werpen op persoonlijke problematiek maar geeft geen kant en klare karaktereigenschappen aan.
In de praktijk blijkt dit te kloppen. Rudolf Smit [20] schreef me over de horoscopen van een tweelingbroer- en zus. De geboorten volgden binnen zeer korte tijd op elkaar, er was geen sprake van tekenwisseling op ascendant of cuspen, er waren geen planeten die qua huispositie veranderden. Elke astroloog zou deze beide horoscopen identiek hebben geduid. Maar de karakters waren duidelijk verschillend.
De horoscoop geeft een aantal mogelijkheden weer. In dit geval is het duidelijk dat broer en zus verschillende van de beschikbare mogelijkheden hebben gekozen, iets dat overigens begrijpelijk is, de behoefte aan een eigen persoonlijkheid kan er oorzaak van zijn dat men zich zo veel mogelijk wil onderscheiden van de toch op veel punten identieke tweelingbroer of -zus. Het inzicht dat horoscopen niet het strikt deterministische karakter hebben dat er veelal aan wordt toegekend wint allengs meer terrein. De belangrijkste astroloog die gebruik maakt van een symbolische benadering van de astrologie is Thomas Ring. Voor diegenen die zich willen verdiepen in de horoscoopduiding volgens deze zienswijze kunnen zijn werken van harte aanbevolen worden [21].
Noten
- Wilhelm Knappich, Geschichte der Astrologie, Frankfurt a.M., 1967, blz. 321.
- Dr. Ernst von Xylander, De beeldentaal van de astrologie, Spica, jaargang 5 nr. 4, januari 1982.
- Robert Henseling, Omstreden wereldbeeld, Amsterdam, 1944.
- Franz Cumont, Astrology and Religion among the Greeks and Romans, New York, 1960, blz. 71.
- Als 4, blz. 66.
- Karsten F. Kroncke, Grundkurs in Astrologie, Freiburg, 1977, blz. 9.
- Thomas Ring, Astrologie ohne Aberglauben, Düsseldorf, Wenen, 1972, blz. 138 e.v.
- George Bode, De nieuwe planeten, Amsterdam, 1981.
- Wilhelm en Hans Georg Gundel. Astrologumena. Die astrologische Literatur in der Antike und ihre Geschichte, Wiesbaden, 1966, blz. 82.
- B. Richmond, Time measurement and Calendar Construction, Leiden, 1956, blz. 41.
- Richard H. Allen, Star names, Their Lore and Meaning, New York, 1963, blz. 76.
- Als noot 1, blz. 195.
- Firmicus Maternus, Matheseos Libri VIII, hoofdstuk 111,1. Vertaling J.R. Bram: Ancient astrology, theory and practice, Park Ridge NJ, 1975, blz. 71.
- Dr. Walter Koch en Wilhelm Knappich. Horoskop und Himmelshäuser, Göppingen/Fils, 1959, blz. 45.
- Ongepubliceerd onderzoek van Willem Venerius bevestigt dat over de oorsprong van de Thema Mundi weinig bekend is.
- Jan Kampherbeek. Artikelen over huizen in Spica, jaargang 3 nr. 1, dubbelnr. 2/3 en nr 4; jaargang 4 nrs. 1, 3 en 4 en jaargang 5 nrs. 1 en 3.
- Wilhelm Knappich, Entwicklung der Horoskoptechnik von Altertum bis zur Gegenwart, Wenen, 1978, blz. 41.
- Drs. Karen M. Hamaker-Zondag, Psyche en Astrologisch Symbool, Amsterdam, 1978, blz. 128 e.v.
- Michel Gauguelin, L’lnfluence des astres, Parijs, 1955, tabellen.
- Prive-correspondentie 1981.
- Thomas Ring, Astrologische Menschenkunde I t/m IV, Freiburg, div. jaartallen. In het Nederlands zijn vertaald: De kosmos in ons, een nieuwe visie op de astrologie, Deventer, 1979 en Mein/Mijn Alphabet, Enschede, 1981.
De tekeningen van de Thema Mundi en de Schuine lengte zijn gemaakt door Joop Bökkerink.





