Jan Kampherbeek
Als geïnteresseerde in astrologie zul je vaak gebruik maken van Facebook. De kans is groot dat je dan een betoog bent tegengekomen van Ron Scott waarin een fout in de standaardberekening van een horoscoop wordt beschreven. Hij verbreidt zijn mening zeer actief en er zijn vaak vele reacties.
Ron Scott is goed op de hoogte van de astronomische aspecten van de astrologie en je ziet dat mensen vaak open staan voor zijn verhaal. Het zou natuurlijk verontrustend zijn als de gebruikte argumentatie zou kloppen maar gelukkig hoeven we onze horoscopen niet aan te passen: de redenering van Ron Scott bevat een fundamentele verwarring in de omzetting van zonetijd naar UT.
Afgelopen maand (februari 2026) heb ik een uitgebreide uitwisseling van gedachten met Ron Scott gehad. Dat verliep heel vriendelijk maar de conclusie was dat we het niet met elkaar eens konden worden.
Hierna ga ik op de theorie van Scott in en leg ik uit waar de fout zit.
Een praktisch punt: als standaardtijd bedoel ik de kloktijd zonder rekening te houden met zomertijd. Ik hanteer de afkorting UT voor zowel UT, UT1 en TT. Voor het doel van dit artikel maakt het onderscheid geen wezenlijk verschil; de afwijkingen zijn hier verwaarloosbaar.
De stelling van Ron Scott
Volgens Ron Scott werden horoscopen correct berekend in de tijd dat MPT (Middelbaar Plaatselijke Tijd) in zwang was. Dat geldt zowel voor planeten als voor huizen. Sinds de invoering van tijdzones gaat de berekening van planeten volgens hem fout. De berekening van huizen gaat nog steeds goed.
Scott beroept zich op rotationele tijd (UT1, gebaseerd op de aardrotatie) en meent dat de correctie voor geografische lengte óók na omzetting naar zonetijd nog afzonderlijk moet worden toegepast.
Volgens hem moeten we de zonetijd corrigeren voor de geografische lengte. Hij geeft daarvoor de volgende formule:
UT = standaard tijd – offset tijd zone + MPT verschil.
Voor het MPT verschil reken je 4 minuten per lengtegraad, positief voor oosterlengte en negatief voor westerlengte.
Het tijdsverschil is vooral merkbaar voor de Maan, die kan gemakkelijk een kwart graad van positie veranderen. Tot zover Scott.
Hij geeft, ter ondersteuning van zijn theorie, uitgebreide rekenvoorbeelden van de correctie voor geografische lengte. Die berekeningen heeft hij voorgelegd aan Seidelmann, een zeer bekend astronoom, en die bevestigde dat ze klopten.
En die berekeningen kloppen inderdaad. Als je in Amsterdam woont, op ongeveer 5 graden oosterlengte, komt de Zon 40 minuten later op dan in Berlijn, dat op 15 graden oosterlengte ligt. Voor elke graad verschil is dat 4 minuten in tijd.
Een ander argument is dat je de geografische coördinaten moet weten om een telescoop in te stellen. Ook dat klopt. Heeft Scott dus een punt? Nee!
Ik zal uitleggen waarom de gegeven voorbeelden wel kloppen maar niet relevant zijn. En ik zal, met een eenvoudige rekensom, laten zien dat de stelling van Scott niet kàn kloppen.
Geocentrisch
We moeten ons enkele zaken realiseren. Het gaat hier niet om een verschil vanwege parallax. Voor de berekeningen gebruiken we geocentrische posities. Als je geocentrische posities berekent ga je uit van het middelpunt van de aarde. Voor iedereen geldt hetzelfde middelpunt en gelden dus ook, op hetzelfde moment, gelijke posities van hemellichamen. Dat betekent automatisch dat op een tijdstip van 2:00 am UT (dus in Greenwich) de hemellichamen op dezelfde positie staan als om 3:00 am MET in Berlijn en alle andere plaatsen die MET (de zonetijd) gebruiken. Het is dezelfde tijd èn dezelfde positie: het middelpunt van de aarde. Het verschil volgens Ron Scott ontstaat als ik de tijd bereken voor bijvoorbeeld Amsterdam op 5 graden oosterlengte. Ik zou dan die 5 graden in tijd om moeten zetten en 20 minuten corrigeren, bovenop het tijdsverschil voor de tijdzone.
De gegeven voorbeeldberekeningen voor het tijdverschil in geografische lengte kloppen. Maar we zullen zien dat ze niet nodig zijn omdat we een vaste relatie hebben tussen zonetijd en UT waardoor we de UT direct kunnen bepalen. Het komt er op neer dat de correctie voor lengte al impliciet is verwerkt in de omzetting naar UT. Zonetijd = UT + zone-offset. Wanneer we van zonetijd naar UT terugrekenen, is die zone-offset al volledig verdisconteerd. Een extra correctie voor geografische lengte zou hetzelfde effect tweemaal toepassen.
De geocentrische positie van een hemellichaam is uitsluitend afhankelijk van het gekozen moment in UT, niet van de geografische lengte van de waarnemer.
Waarnemingen met de telescoop
Hoe komt het dan dat we de geografische coördinaten moeten weten als we een horoscoop moeten gebruiken? Dat is omdat we dan het azimut (windrichting) en altitude (hoogte) van een planeet moeten weten en die zijn gekoppeld aan de lokale horizon. En daarvoor moeten we inderdaad de coördinaten weten.
Weerlegging van de theorie van Ron Scott
Ik heb al genoemd dat we alle posities van hemellichamen geocentrisch berekenen. Maar er zijn meer argumenten: het tijdstip van eclipsen is nauwkeurig bekend. Niet alleen in UT maar ook in de verschillende tijdzones. Dat tijdstip komt overeen met waarnemingen. Als de we correctie van Scott toepassen kan de Maan een kwart graad afwijken qua positie, dat is de helft van de doorsnee van de Maan (en van de Zon). Dat zou onmiddellijk op moeten vallen; astronomische berekeningen wereldwijd komen overeen met de waarnemingen en gebruiken gestandaardiseerde tijdconversies. Het is dezelfde aanpak die we zien in astrologische software.
Een tweede argument is even overtuigend en heeft als voordeel dat het een goed inzicht geeft in het mechanisme van tijdzones.
We gaan uit van een plaats op 5 graden oosterlengte. Op het moment dat er MPT wordt gebruikt is het tijdverschil met UT dus 20 minuten (5 x 4 minuten). Als het voor die plaats 6:00 am is zal de UT dus 5:40 am zijn.
Nu besluit men over te gaan naar MET, de tijdzone van 15 graden oosterlengte. De klok moet nu 40 minuten vooruit worden gezet: 10 graden verschil x 4 minuten. Vanaf nu wijst de klok dus 6:40 uur aan. Het tijdverschil met UT is 1 uur en de UT is dus 6:40 – 1:00 = 5:40 Dat is exact dezelfde UT als de UT die we krijgen als we uitgaan van een klok die MPT aangeeft. Er is dus geen verschil.
7 stappen
Ik heb mijn conclusie in 7 stappen samengevat:
- In een locatie op 5 graden oosterlengte loopt de MPT 20 minuten voor op de tijd in Greenwich (UT)
- Als de tijdregeling verandert naar MET (15 graden oosterlengte) zetten we de klok 40 minuten vooruit
- Voor deze locatie blijft het verschil van 40 minuten tussen MET en MPT constant zolang er geen wijzigingen komen in de tijdregeling.
- Om terug te rekenen van MET naar MPT voor een locatie op 5 graden oosterlengte moet ik dus 40 minuten van de MET aftrekken.
- De berekening op basis van MPT levert geen problemen op.
- Ik kan dus terugrekenen van MET naar MPT en dan een correcte berekening uitvoeren.
- Als ik 1 uur van MET aftrek, krijg ik dezelfde UT als in stap 6
Desgevraagd gaf Ron Scott aan het met alle stappen eens te zijn behalve met stap 7. Zijn argument: ‘UT1 at Greenwich is not the same thing as the local rotational condition of an observer displaced in longitude with the time zone’. Feitelijk herhaalt hij hier simpelweg zijn oorspronkelijke stelling. Hij legt niet uit waarom en gaat ook niet in op het concrete voorbeeld dat ik heb gegeven:
MPT – offset MPT = UT, in getallen 6:00 – 0:20 = 5:40
Zonetijd – MPT = correctie MPT, in getallen 6:40 – 6:00 = 0:40
Offset zonetijd = offset MPT + correctie MPT = 0:20 + 0:40 = 1:00
Deze berekening is sluitend. In de visie van Scott moeten we de offset MPT nog een keer toevoegen aan de offset zonetijd. Dat betekent dat we dezelfde correctie twee maal zouden moeten toepassen.
Ik denk dat de gegeven voorbeelden voor zich spreken. Op basis van bovenstaande redenering is er geen reden om de huidige rekenmethode te wijzigen.
De voorgestelde wijziging is niet correct. Is het verstandig daar aandacht aan te besteden? Ik denk dat het onvermijdelijk is. Op Facebook vind je heel veel discussies over de theorie van Ron Scott, soms met honderden reacties. Dit debat laat zien hoe belangrijk het is dat astrologen vertrouwd zijn met de astronomische fundamenten van de astrologie. Voor een betrouwbare aanpak van de astrologie is het noodzakelijk dat we ons op de feiten baseren.
Graag wil ik hier aan toevoegen dat de discussie met Ron Scott beschaafd en prettig is verlopen. Ik denk ook oprecht dat hij ervan overtuigd is dat hij gelijk heeft. De rekenkundige consequenties van zijn voorstel zijn echter niet in overeenstemming met de tijdconversie zoals die in de astronomie wordt gehanteerd.
Referenties
Meeus, Jean: Astronomical Algorithms. Richmond, 1998. In deze publicatie vind je een goede weergave van de verschillende tijdsoorten.
Scott, Ron: Why the LMT Variation Matters in Chart Calculation. Online: https://rscott51.substack.com/p/why-the-lmt-variation-matters-in (bezocht 19 febr. 2026).
Gepubliceerd: 4 maart 2026
Dit artikel is eerder verschenen in de Nieuwsbrief van de NVWOA.